Van inzicht naar doen: zo krijgt Positieve Gezondheid een plek in het onderwijs
Hoe zorg je ervoor dat Positieve Gezondheid niet iets blijft waar studenten vooral over leren, maar iets wordt wat ze zelf ervaren? Die vraag houdt Lysbeth de Vries al jaren bezig. Als docent Leefstijlcoaching aan ROC van Twente zag ze al vroeg de waarde van het gedachtegoed, maar ook hoe lastig het kan zijn om theorie te vertalen naar de praktijk. Ze ontwikkelde daarom een manier om studenten stap voor stap te laten ontdekken wat gezondheid voor hén betekent. Niet alleen door erover te praten, maar vooral door ermee aan de slag te gaan.
Rond 2016/2017 kreeg Positieve Gezondheid een plek in het kwalificatiedossier van de opleiding waar Lysbeth lesgaf. Het gedachtegoed was op dat moment nog relatief nieuw. Namens het mbo schoof ze aan bij een landelijke koplopertafel met vertegenwoordigers uit het mbo, hbo en wetenschappelijk onderwijs. Daar merkte ze hoe groot de afstand tussen theorie en onderwijspraktijk soms kan zijn. “Het werd heel wetenschappelijk benaderd. Ik zat daar en dacht: als ik dit naar mijn studenten moet vertalen, haken ze af.”
Tegelijkertijd zag ze juist veel waarde in de brede kijk op gezondheid. Niet alleen kijken naar lichamelijke gezondheid, maar ook naar bijvoorbeeld meedoen, zingeving en dagelijks functioneren. “Ik heb altijd de drive gehad om dingen praktisch te maken. Als er iets nieuws is, denk ik al snel: hoe kunnen we dit zo vertalen dat mensen er ook echt iets mee kunnen?”
Het idee ontstond thuis
De inspiratie kwam onverwacht. Haar zoontje zat thuis aan tafel met een Sinterklaas-doeboek. Terwijl hij van de ene naar de andere opdracht ging, viel haar op hoe vanzelfsprekend hij ermee bezig bleef. Niet lang luisteren of lezen, maar steeds iets anders doen. Daar ontstond het idee: zou zo’n doeboekvorm ook kunnen werken om studenten met Positieve Gezondheid aan de slag te laten gaan? Niet alleen lezen over het gedachtegoed, maar vragen beantwoorden, opdrachten doen en zelf ervaren wat de verschillende thema’s voor hen betekenen.
Dat idee werd verder ontwikkeld en getest met studenten. Daarbij ging het nadrukkelijk niet alleen om een aantrekkelijke werkvorm. Onder het DOEboek moest een stevige inhoudelijke basis liggen, met onder meer aandacht voor veerkracht en gedragsverandering. Vooral dat laatste was belangrijk. In de manier waarop Positieve Gezondheid destijds vaak werd aangeboden, ontbrak volgens haar nog een belangrijke stap. “Het bleef vaak bij het invullen van het spinnenweb. Dan had je inzicht en hield het op. Terwijl ik dacht: daarna begint het pas.”
Wat doe je met dat inzicht?
Een ingevuld spinnenweb kan zichtbaar maken hoe iemand naar zijn eigen gezondheid kijkt. Maar weten dat je ergens minder tevreden over bent, betekent nog niet dat er iets verandert. Daarvoor is een volgende stap nodig: Wat is voor jou belangrijk, wat zou je willen veranderen en welke eerste stap kun je zetten? Dat is een belangrijk onderdeel van eigen regie: niet vertellen wat iemand moet doen, maar iemand helpen zelf te onderzoeken waar ruimte zit om iets te veranderen. En minstens zo belangrijk: zien wat er al wél goed gaat.
Want juist in het onderwijs ligt de nadruk al snel op wat nog niet goed genoeg is. Een student haalt een vier en alle aandacht gaat naar die vier. Hoe krijgen we die omhoog? Vanuit Positieve Gezondheid kijk je breder. Misschien gaat het op andere gebieden juist heel goed. Bijvoorbeeld omdat die student iedere week voetbalt, daar zijn vrienden ziet en zich onderdeel voelt van een groep. Door ook daarbij stil te staan, ontstaat een ander gesprek. Niet alleen over wat beter kan, maar ook over wat iemand al helpt en hoe je daarop kunt voortbouwen.
Geen rapportcijfer voor gezondheid
Die manier van werken vraagt ook iets van docenten en andere professionals. Want een instrument als het spinnenweb kan gemakkelijk anders worden gebruikt dan bedoeld. Het spinnenweb is niet bedoeld als beoordelingsinstrument waarbij een hoger cijfer automatisch beter is. En Positieve Gezondheid betekent evenmin dat alles positief gemaakt moet worden. Het gaat er juist om dat iemand zelf betekenis geeft aan wat hij ziet en bepaalt waar hij wel of niet iets mee wil. Hoe je het gesprek voert, hangt af van de groep. Soms kan dat gezamenlijk, soms is het beter om studenten eerst individueel of in tweetallen te laten nadenken. De veiligheid in de groep blijft daarbij belangrijk.
Eerst zelf ervaren, dan toepassen
Vanuit haar ervaringen in het onderwijs richtte Lysbeth Edukr8 op. De organisatie is inmiddels vignethouder van het Institute for Positive Health (iPH) en beschikt over gekwalificeerde trainers die door het hele land sessies en trainingen verzorgen. Het DOEboek wordt bij verschillende opleidingen en op verschillende niveaus gebruikt, waarbij de toepassing verschilt per doelgroep.
Binnen het onderwijs krijgt Positieve Gezondheid bijvoorbeeld een plek bij burgerschap, loopbaanoriëntatie of vitaliteit. Studenten onderzoeken daarbij eerst wat gezondheid voor henzelf betekent en wat zij belangrijk vinden. Bij opleidingen voor toekomstige professionals komt daar een tweede laag bij. Studenten die later bijvoorbeeld in de zorg, het sociaal domein of als leefstijlcoach gaan werken, leren het gedachtegoed uiteindelijk ook bij anderen toe te passen. Maar eerst ervaren ze zelf wat het betekent om op deze manier naar gezondheid te kijken en daarover in gesprek te gaan. Want pas wanneer je merkt wat een vraag met jezelf doet, begrijp je beter wat je van een ander vraagt.
Die ervaringsgerichte aanpak komt ook terug in andere werkvormen. Zo kunnen studenten een afbeelding kiezen die voor hen iets met gezondheid te maken heeft. De één kiest een hond omdat die ervoor zorgt dat hij iedere dag buiten loopt. Voor een ander staat diezelfde hond juist voor gezelschap. Het beeld is hetzelfde, de betekenis verschilt. Ook een eenvoudige vraag kan genoeg zijn om een gesprek op gang te brengen. “Drie goede vrienden of honderd volgers op sociale media?” Zo’n vraag raakt al snel aan onderwerpen als sociale contacten, erbij horen en wat iemand belangrijk vindt, zonder dat het gesprek meteen zwaar of theoretisch wordt. “Het is heel simpel. En toch krijg je hele leuke gesprekken, zonder dat het direct zo lesgevig is.”
Waarom pen en papier?
Dat de materialen van Edukr8 fysiek zijn, is een bewuste keuze. Een boek waarin je schrijft, kaarten die je op tafel legt, samen naar een afbeelding kijkt. Hoewel regelmatig de vraag kwam of het DOEboek ook digitaal beschikbaar kon worden, bleef Edukr8 vasthouden aan papier. Die keuze past bij een bredere ontwikkeling in het onderwijs, waarin kritischer wordt gekeken naar de toegevoegde waarde van digitale middelen. Bij Positieve Gezondheid gaat het om reflecteren en ontdekken wat voor jou belangrijk is. Pen en papier bieden ruimte om zonder digitale afleiding bij een vraag stil te staan. De vorm staat daarmee in dienst van het doel.
Niet één aanpak voor iedereen
De materialen vinden inmiddels ook buiten het onderwijs hun weg, bijvoorbeeld naar de ggz en ziekenhuizen. De context verschilt, maar de principes achter het gesprek blijven hetzelfde.
Hoe belangrijk het is om aan te sluiten bij de mensen voor wie je iets ontwikkelt, blijkt ook uit een aangepaste versie van het DOEboek voor mensen die moeite hebben met lezen en schrijven. Deze kwam tot stand vanuit Ikletterop.nl, een Twents initiatief waarbij onder meer de veertien Twentse gemeenten, UWV, ROC van Twente en verschillende partners betrokken zijn om laaggeletterdheid terug te dringen.
Edukr8 ontwikkelde het DOEboek samen met taalambassadeurs die zelf ervaring hebben met laaggeletterdheid. De letters werden groter en het taalgebruik werd aangepast, maar moeilijke woorden werden niet simpelweg geschrapt. Soms is het juist waardevol om een nieuw begrip aan te bieden en uit te leggen. Die versie wordt inmiddels ook door sommige vmbo-scholen gebruikt. Een mooi voorbeeld van waarom het niet altijd helpt om vooraf te bepalen voor welke doelgroep iets bedoeld is. Belangrijker is de vraag: wat past bij de mensen die voor je zitten?
Hetzelfde geldt voor de term Positieve Gezondheid zelf. Niet iedere organisatie hoeft die prominent te gebruiken. Soms past een term als vitaliteit beter bij de mensen, cultuur of context. “Voor mij hoeft niet iedereen de term Positieve Gezondheid te gebruiken. Het gaat om de onderliggende principes.” Uiteindelijk draait het niet om de methode, maar om wat iemand nodig heeft om zelf verder te kunnen. Het spinnenweb kan daarbij een mooi beginpunt zijn. Maar zoals Lysbeth het zelf zegt: “Dan heb je inzicht. Maar daarna begint het pas.”